Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: MERSENARIJS
Volgend artikel: MERSER
GTB Woordenboeken: WNT

MERSENIER

Woordsoort: znw(m.)

Varianten: merseniere, mersenier, merssenier, meersenier, marsenier, merschenier

Modern lemma: mersenier

(merssenier, meersenier, marsenier, ook min juist merschenier, vgl. meerscheman bij Stall. op meersman), znw. m. Van ofra. mercenier (zie Littré op mercenaire), dat naast mercier moet bestaan hebben; vgl. mlat. mercenarius, mercator, minutae mercis propola, vulgo mercier (Duc.2 5, 350). Hetzelfde als merseman; z. ald.
Koopman, kleinhandelaar; bepaaldelijk koopman in kramerijen of galanterieën, ook marskramer, kramer. Vgl. cramer. Kil. meersenier, Fland. j. kraemer, circitor, tabernarius. Vgl. Stallaert 2, 197 op meersenier, waar o. a. wordt aangehaald: “hun privilegie (nl. als gilde) bestond in het vercopen van alle imaginerelyke mercherie, quinquallerye, goud en silverwerken”. Zie nog t. a. p.: “een cremer oft mercenier, die … verkoopt pen en papier, die oock voor hem een meersche draeght”, en Vad. Mus. 5, 32: “het ambacht der meerseniers” (a. 1449 te Thielt).
Elck meercenier staet voor zijn craem, Goedthals 45, Brabant, 1568  (fra. chascun mercier portera son pannier).
Die meerseniers vercopen guldine lakene ende zidine, precieuse steene ende peerlen ende huven, spellen ende naelden, cokers ende scriftoriën, elsene ende ponchoene (priemen), incthoorne ende greffiën, messen ende sceeden, scaren ende scaerkine, huven ende snoeren ende nachtelinghen (veters) ende risnoeren, ende zide daer men of maect weerc van borduren, Livre d. Mest. 15, Vlaanderen, 1350-1400  (fra. merchiers; vgl. ZVl. Bijdr. 3, 57: “eene soort van marskramers droeg in hare “mersen” allerhande soort van “cruut”, maar een ander soort van merseniers ventte oostersche kleederen, zijde, fluweel, goudlaken, messen, scharen, tasschen, handschoenen, borduurgerei en andere snuisterijen”).

Tvonnesse van der (l. den) mersseniers, Cannaert 396, Vlaanderen, 1385.

De neeringhe van den wassinen kersmakers toebehorende ende aneclevende der neeringhen van den meersseniers, ald., Vlaanderen, 1385

Een scamel mersenier, OVl. Lied. e. G. 84, 1, Vlaanderen, 1340-1360  (vgl. ald. 7 “meerseman” en zijn roep, ald. 8: “naelden, spellen, trompen, bellen!”).

C. de merseniere, ZVl. Bijdr. 6, 190 (a. 1404)   (te Sluis).

Jan van den Hoye, meerschenyer, Gentsche Coll. 147 (a. 1451), 1842.

Van den merseniers. Die mercerie vercoopen die men coopt ofte vercoopt bi ghewichte, dat sij leveren ende weghen zullen met goeden ghewichte ende met alsulken alse mersenieren ontfaen int avenant, Voorgeb. v. Gent 24, Vlaanderen, 1337-1382  (vgl. 166, waar merseniers voorkomt onder de namen der “neringen”, en bl. 190).

Dat negheenen meersenyers buter hallen staen en zullen, indien de halle niet te vul en es, dan de maelgerye of die cruut vercoopen, Ann. Em. 32, 46 (a. 1415), Vlaanderen, 1415.  Zie nog Belg. Mus. 4, 41 en 51, en ZVl. Bijdr. 5, 375 de vermelding der “marseniersgilde”. Vgl. ook merserier en merser.
Aanm.
Waarschijnlijk heeft er in het Mnl. ook een woord mercenier bestaan in de bet. huurling. Vgl. ofra. mercenier (bij Godefroi). Het zal wel dit woord zijn, dat bij Kil. vermeld staat als benaming van een bepaalden stand in Brabant. Daglooner, daggelder (?). Zie bij cossate. Kil. kossate, merssenier, vetus cliens ducis Brabantie; meersenier, meersenierman, mercenier, kossate, Brux. Louan., cliens ducis Brabantiae privilegiis et immunitatibus donatus, qui se in fidem et potestatem principis permisit.