Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: AFZONDERING Volgend artikel: AFZONDERLIJK II

AFZONDERLIJKI

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: afzonderlijk

bnw., om de absolute beteekenis zonder trapp. v. vergel. Van Afzonderen, als bedr. ww., in de bet. 1), met het achterv. -lijk in passieve opvatting.
Afgezonderd of afgescheiden kunnende worden, t.w. van iets anders; afscheidbaar, afscheidelijk. Hetzelfde als Afzonderbaar (zie AFZONDEREN, Afl.), doch thans evenzeer verouderd.
Ik beken dat deze schroomagtigheid als een nauwlyks afzonderlyke (bijna onafscheidelijke) eigenschap van de hoogste verdienste zelfs kan aangezien worden,   V. EFFEN, Spect. 3, 18 [1732].
Afl. Onafzonderlijk, onafscheidelijk (”Eene aangeboore en van ons wezen onafzonderlyke hoedanigheid,” V. EFFEN, Spect. 6, 15 [1733]); ook als bijw. (”dat het gebed onafzonderlyk aan de aanbidding verknogt is,” V. EFFEN, Spect. 5, 43 [1733]; ”Alle die genen die de onfeilbaarheid in den Paus onafzonderlyk doen berusten,” V. EFFEN, Spect. 12, 116 [1735]; ”Ondergesteld zynde dat wezentlyk de onfeilbaarheid by den Heiligen Vader onafzonderlyk berust,” V. EFFEN, Spect. 12, 117 [1735]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1877.