Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: FATSOENEEREN Volgend artikel: FATUM

FATSOENLIJK

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: fatsoenlijk

bnw. en bijw. Van Fatsoen met -lijk. In de uitspraak vrij algemeen fatsoendelijk.
+A.  Bnw.
+B.  Bijw.
Afl. Fatsoenlijkheid, 1°. welgemaaktheid, in dit gebruik verouderd (”Eenen drinkbeker, aan de welke een tiger voor 't scheel verstrekte, die, door zijn wonderlike fatzoenlikheid, alle menschen buiten mate wel geviel”, DE BRUNE, Wetst. 1, 5 [1644]); 2°. het voldoen aan de eischen van een meer aanzienlijken stand, in dezen zin thans ongebruikelijk (”De burgermansplichtplegingen, de gemaaktheid in manieren …, de omslachtigste hoffelijkheid op de ongelukkigste oogenblikken, in één woord, de mislukte fatsoenlijkheid” (van de tooneelspelers), KNEPPELH. 3, 170 [1844]); 3°. het voldoen aan de eischen van eer en (of) goede manieren (”'t Is of het jonkske de fatsoenlijkheid ingeblazen is en hij er opgeblazen, benauwd en bedwelmd van is. Gelukkig waarborgen de oogen ons dat hij morgen weer dezelfde zal zijn, als het dasje losgemaakt en de fatsoenlijkheid uitgelaten zal zijn”, J°. DE VRIES, Zonnebl. 107; ”Ik ben altijd in mijn kring, onder mijn kennissen, aan netheid en fatsoenlijkheid gewoon”, COUPERUS, Kl. Z. 2, 168 [1901]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.