Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: HEUGEN Volgend artikel: HEUGENSCHAP
GTB Woordenboeken: MNW

HEUGENIS

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: heugenis

znw. vr. Mhd. hugnisse, mnd. hoch(e)nisse, mnl. hoge-, hooch-, huech-, heuch(e)nesse. Van Heugen met -nis.
+A.  Gedachtenis (zie Heugen, A).
B.  Blijdschap, vreugde, verblijding.
Wat heuchenis ist ons (wat hebben wij er aan), als onsen tijt gaet springhen?   VONDEL 1, 59 [1612].
Elk bely, met heugenis, Dat de Heer enz.,   SIX V. CHAND., Ps. 136, 1.
Samenst. (in de bet. A) Heugenisteeken, gedenkteeken (VOLLENHOVE, Kruistr. en Gez. 348).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1904.