Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: MAAG II Volgend artikel: MAAGDEBLOEM
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

MAAGD

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: maagd

— in ouderen vorm MAGET —, znw. vr. Mnl. maget (VERDAM); osaks. magađ, ags. mægđ, ohd. magad, got. magaþs, naast magus, knaap (verg. STREITBERG, Urgerm. Gramm. 123). Zie verder MEID. Thans in het gewone leven in beperkt gebruik, evenals het verkl. maagdeken; de vormen maagdekijn, maagdelijn, magedijn komen alleen nog voor bij dichters. Over maagje zie beneden.
+1.  Eene ongerepte (jonge) vrouw.
Jonge dochteren, die maeghden waren, die geenen man bekent en hadden,   Statenb., Richt. 21, 12 [ed. 1688].
Men vint in dit gantsche Koninckrijck … geene Maeghden, want sy van joncks op een bysondere mexture in haer Vroulijckheyt doen …, daer sy deselve mede wijt maken,   Begin e. Voortg. 12, 33 a [ed. 1646].
Een geschonde Maagd,   PALFYN, Vrouw. Deel. 50.
+2.  In de R.-K. Kerk.
+3.  Eene ongehuwde jonge vrouw (zonder dat in de eerste plaats aan de ongereptheid gedacht wordt).
De selue spijse die de liefste maecht Met heur handen ghenaeckt, wilt die oock vaten,   OVID., Conste d. M. 29.
Eene jonge dochter, eene maget,   Statenb., 1 Kon. 1, 2 [ed. 1688].
Een bloode maegt, een late vrouw,   CATS 1, 266 a [1625].
De wijsheyt is het waert dat haer een maget vrijt,   CATS 2, 55 a [1635].
Huizen …, waar jonge maagden voor het venster zaten,   TEIRL.-STIJNS, Arm Vl. 1, 219.
4.  In 't bijzonder, als gelijkstaand met ”dienstmaagd”; nu nog alleen gewestelijk bekend: te Maastricht als maag (Arch. v. Ned. Taalk. 3, 371), in Overijsel maachien (N. Ned. Taalmag. 3, 234).
Ende knechten, ende maeghden, ende kemelen, ende ezelen,   Statenb., Gen. 24, 35 [ed. 1688].
Hagar, Abrahams Maeght,   CATS 1, 449 b [1629].
Iob had in sijnen dienst veel maechden ende knapen,   DE WAEL, Lusth. 1, 15.
5.  In zinnebeeldige toepassing, t.w. als personificatie van eene stad of een land; in het eerste geval vaak met het denkbeeld dat die stad nooit is ingenomen of geplunderd (zie ”de Maghet van Ghend” bij VERDAM 4, 1023).
Antwerpen wort gemeynlijc gehouden voor een Maegt: want de inwoonders verseeckeren, dat sy … noyt geplundert oft gerooft … en is geweest. Wy en vinden voorwaer niet, dat sy heur blinckende suyverheyt … besmet heeft,   KILIAAN, Guicciard. 71 b.
O Bos ghy Conincklijcke maecht,   REVIUS, Over-Yss. Sangen 307.
De Maegt van Dordrecht,   CATS 1, 444 b [1629].
's Hartogenbos beroemde zich, maeght te zijn, dat is onverwonnen (aant.),   HOOFT, Ged. 1, 313 [1629].
Hoe droef de Trichtse Maeghd Gesleept geboeyt op haren oever sat,   VONDEL 3, 153 [1632].
De Bossche-maaght,   V. D. VEEN, Zinneb. enz. 425.
Daar staat zij, Neêrlands Maagd,   HELMERS, Holl. N. 93 [ed. 1814].
Neêrlands onbesmette Maagd,   SPANDAW 4, 169 [1838].
De maagd van Brabant (d. i. 's-Hertogenbosch dat tweemaal tevergeefs door Prins Maurits belegerd werd: zie Oude Tijd 1871, 31).   poëem WNT
6.  Een der sterrebeelden van den Dierenriem, tusschen den Leeuw en de Weegschaal.
De zon staat in de Maagd ongeveer van 20 Augustus tot 20 September.   poëem WNT
+7.  In de gemeenzame spreektaal hoort men het verkl. maagje (maachie) in den zin van maagdom.
Zijn maagje nog hebben. Zijn maagje verloren hebben.   poëem WNT
+8.  Als eene soort van peer wordt nog vermeld: ”Schaager maagd”, Reg. v. Peeren, achter N. Ned. Hovenier 7.
Afl. Maagdelijk, maagdom, ontmaagden (zie die woorden)
maagdaard, o.a. in het Westvl. een manl. vorm naast maagd, b.v. in toepassing op een jonkman die in eene processie gaat (zie DE BO [1873] en verder KIL. [1588] en VERDAM 4, 949) (”Dien maechdaert Sinte Jan”, TH. V. HERENTALS bij DE BO [1554]; ”Een groep maagdaards dragende het standbeeld van den gelukz. Berchmans”, DE BO [1873])
maagdendom, weinig gebruikelijk (verg. maagdom in de bet. 2) (”Den houwliksband, 't Zy tusschen weeuwen, weeuwenaaren, Of maaghdendom”, SIX V. CHAND. 516 [1657])
maagdeling, een maagdelijk man (zie KOERBAGH, Bloemh. 8)
maagdeloos, onregelmatig voor: niet maagdelijk (”(Een) Man … (die) het gewonnen geld … bij andere Vrouwen of maagdelooze meisjes brengt”, FOKKE, De Vrouw 2, 36 [1810]).
Samenst. Maagdebloem, maagdenpalm, maagdpeer, maagdwas (zie die woorden; verg. ook MAATJESHARING, MAATJESPEER en MADELIEF).
— Verder. Maagdenaard (”Komkommers zijn van maagdenaard: Zij dienen niet te lang bewaard”, HARREB. 1, 5 a [1858])
maagdenaarde, bij vroegere natuuronderzoekers benaming voor eene fijne zuivere aarde, terra virgo (zie BERKHEY, N.H. 2, 246 [1769]), bij CHOMEL, Verv. 4866 a [1792] ”maagdelyke aarde” genoemd
maagdbeeld, eene enkele maal voor meisje (CONSC. 3, 55 a [ed. 1868]; CONSC. 4, 17 a [ed. 1869])
maagdenbie, volgens DE BO [1873]: ”bie van eenen maagdezwerm”
maagdenblik (V. ACKERE, Winterbl. 239)
maagdenblos (BILD. 10, 180 [1824]; DA COSTA 1, 230 [1819])
maagdenboezem (HELMERS, Nag. Ged. 1, 54; V. LENNEP, Poët. 6, 9 [1834])
maagdendans (L. VOSSIUS 123)
maagdendoek, sluier van eene kloosterzuster (”Een edele Maghet … die … versocht gewijt te zijn, ende den Maeghden-doeck te ontfanghen”, BISSCHOP, Lof d. Suyverh. 2, 158)
maagdeneed (BILD. 1, 331 [1830])
maagdenei (”Zuyvere maagden ayertjes, ik heb die hennen in onze schuur apart laete loopen; Gien haan het 'er over e krast”, ASSELIJN, Kraamb. v. Z. Jans 8)
maagdengild, de gezamenlijke meisjes van een dorp (STARING 1, 120 [1820]); ook een genootschap van jonge meisjes, die o.a. zorgden voor de versiering van kerken en O. L. V. -beelden (zie b.v. WAGEN., Amst. 1, 284; Oude Tijd 1871, 85)
maagdengoud, gedegen, zuiver in de natuur gevonden goud (zie CHOMEL 906 b [1769])
maagdenhand (BILD. 1, 46 [1786]; BILD. 13, 72 [1796])
maagdenharp, benaming voor sommige kinkhorens (zie CHOMEL, Verv. 4110 b [1791]); in andere opvatting in de volgende plaats (”Vondels maagdenharp”, BILD. 12, 130 [1808])
maagdenhart (BILD. 3, 121 [1829]; TOLLENS 8, 5 [1839] enz.)
maagdenheir, bij CATS 2, 178 a [1635] van een troep meisjes die vechten tegen Cupido
maagdenhonig, ongepijnde honig: die van zelf, zonder persing zich uit de henigraten afscheidt en de beste is; ook wel voor den honig van een maagdenzwerm (zie KIL.; CHOMEL 1364 a [1770] en verg. Handw. 14, 90 [1797]) (”Het woord, dat zijnen mond ontperelt, Is zoet als maagdenhoning”, DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 265)
maagdenhoofd, een term in de heraldiek (zie JUNIUS, Herald. 312)
maagdenhuis, benaming van Roomsche weeshuizen voor meisjes, o.a. te Amsterdam (zie WAGEN., Amst. 2, 345) en te Antwerpen (zie MERTENS en TORFS, Gesch. v. Antw. 4, 245; CONSC. 4, 351 a [ed. 1869])
maagdenkaars, door een klein meisje in de processie gedragen (zie DE BO [1873])
maagdenkeel (”Luiten, gepaard met fijne en hooge maagdenkeelen”, VERSCH.-REYNV., Muz. Kunst-Wdb. 471; ook BILD. 3, 23 [1805] enz)
maagdenklacht (zie Nav. 13, 180)
maagdenklaver, ”klaver van 't eerste jaar, die nog niet eens is afgemaaid” (DE BO [1873])
maagdenkleed (BILD. 10, 465 [1806])
maagdenkoon (”(de) bloem op zachte maagdenkoon”, NIEUWLAND, Nag. Ged. 38)
maagdenkoper, verg. maagdengoud (”Gaarkoper …, dat is louter of Maagde Koper”, CHOMEL, Verv. 4359 b [1791])
maagdenkoraal, eene soort van wit koraal (zie CHOMEL, Verv. 4898 b [1792])
maagdenkraam, al wat er is in de kamer van een meisje (zie CATS 2, 197 b [1635])
maagdenkracht, maagdenverkrachting (”Gailheit … (en) grouwel van vrouw- en maaghdekracht”, HOOFT, N.H. 285 [1642]; ”maagdenkracht en vrouwenmoord”, TOLLENS 1, 104 [1808]; zie ook BILD. 1, 342 [1793])
maagdenkrans, in verschillende opvattingen; 1°. de krans die eene maagd op het hoofd draagt, b.v. als bruid (”om … Te dragen in de feest haer groene maegde-krans”, CATS 1, 540 a [1632]; zie ook CONSC. 2, 78 b [ed. 1868]); figuurlijk (”Den Maeghden-Crans die Godt de suyvere herten belooft heeft”, PETRI, Seraph. Sterrenh. 4, 978); ook wel zooveel als maagdom (”Een snelle schicht op my gevallen (O slim bedrog van jonge-mans!) Die trof mijn teere maegde-krans”, CATS 1, 447 b [1629]); 2°. een gezelschap van meisjes (”Is uw bloet verhit door al te langen dans, Of hebje laet gewaeckt ontrent de maegde-krans?” CATS 2, 140 b [1635]; zie ook b.v. DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 276)
maagdenkring (BILD. 2, 133 [1803])
maagdenkroon (STARING 1, 15 [1793])
maagdenkroost, Christus (BILD. 6, 193 [1829])
maagdenkuischheid (BILD. 3, 175 [1829])
maagdenkunne (”De maegdekunne is flaeu en teder”, VONDEL 10, 568 [1666])
maagdenkus (ESSER, Mosaiek 84)
maagdenleger (”Het Maeghdenleger houd het mannenheir belegen”, VONDEL 3, 573 [1639] (Maeghden)
maagdenlip (V. LENNEP, Poët. 11, 133 [1852]; LEDEGANCK 326)
maagdenlok (”'t zijden goud van maagdelokken”, DE GÉNESTET 2, 255 [1851])
maagdenlonk (LEDEGANCK 27)
maagdelood, lood zooals het uit den vlamoven komt, onbewerkt lood (V. HOUCKE, Loodg. 467 [1902])
maagdenlust (”Maegde-lust gaet voor al”, V.D. VENNE, Taf. v.d. B.W. 12 [1635])
maagdenmelk, in navolging van fr. lait virginal voorkomende als benaming van zeker op melk gelijkend praeparaat, ook juffersmelk genoemd, dat door vrouwen gebruikt werd om de huid blank te maken (zie MARIN en CHOMEL 1364 a [1770]); in de volgende plaats echter in andere, meer eigenlijke opvatting (”Niemant en weet wat een manlijck bloet in de Maeghden melck is spelende, sy vliegen in de doot om schoonheyt en eer te bewaren”, POIRTERS, Mask. 86 [ed. 1688])
maagdenmoord (VONDEL 3, 600 [1639])
maagdennet (”een maegden-net, Daer ligt een duyve sonder gal Haer beste veeren laten sal”, CATS 1, 529 b [1632])
maagdenoffer (VONDEL 3, 601 [1639])
maagdenolie, fr. huile vierge, de olie die zich het eerst en bijna zonder persing van de olijven afscheidt en de beste is (zie CHOMEL 1364 b [1770])
maagdenpelder, een wit baarkleed op de kist van een jongeling of van eene jonge dochter (DE BO [1873])
maagdenperkament, vervaardigd van de huiden van jonge lammeren en geiten (”Maagde parkement, schryf parkement, Francyn leer. Parchemin vierge”, MARIN)
maagdenpijn (”Vrijsters die te bloode zijn, Die blijven in de maegde-pijn”, CATS 1, 266 a [1625])
maagdenplicht, o.a. als titel van een werk van CATS
maagdenpis (”Hy gut is dat Maaghde-pis? 't is so scharp oft peeckel was”, BORMEESTER, Z. Fobers 6)
maagdenpuik (VONDEL 2, 197 [1624])
maagdenregaal, zeker register op een orgel (zie VERSCH-REYNV., Muz. Kunst-Wdb. 67)
maagdenrei (”Amstels Maagden rei”, WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 279 [1785]; ”Mirjams maagdenreien”, DA COSTA 3, 48 [1846]; zie nog BILD. 1, 26 [1786] enz.)
maagdenriem (BILD. 3, 24 [1805])
maagdenroem (BILD. 1, 151 [1797])
maagdenroof (”die zege …, Door maeghderoof en vrouwekracht verkregen”, VONDEL 3, 130 [1631])
maagdenroos, voor maagdom (”Ghy seydt dat ick alleen u Maegdenroos sou plucken. En Roemer hadse wech, de bandt die was al stucken”, BREDERO 3, 56 [161.]; ”Het Maagderoosje van eerlyke Vrouws-persoonen of Dogters plukken”, DIBBETZ, Milit. Wdb. 290 a [1740])
maagdenroover (V. LENNEP, Poët. 9, 293 [1834])
maagdenrot of maagdenroot (”Siet daer het maegde-rot in wonder hoogen noot!” CATS 2, 178 a [1635] (zie ook CATS 2, 132 b [1635]); ”Jongesellen; Die … begerig sijn het Maegde-root te quellen”, QUINTIJN, Lys e. B. 68)
maagdenschaar (BILD. 1, 251 [1805]; TOLLENS 10, 172 [1848])
maagdenschender (Hist. v. Corn. Adr. 1, 322)
maagdenschoot (”uwen zuivren maeghdeschoot, Noch van geen hant gerept”, VONDEL 10, 403 [1664])
maagdenschuchterheid (BILD. 5, 248 [1823])
maagdensnoeperij (”is dan uw wulpsche sin Al wederom ontvonckt door brand van nieuwe min, En maeghdensnoepery”, VONDEL 2, 251 [1625])
maagdenstaat (BILD. 3, 23 [1805])
maagdenstem (CATS 2, 177 [1635]; BILD. 2, 10 [1795])
maagdenstoet (BILD. 13, 217 [1817]; V. BEERS, Rijz. Bl. 48 [1880])
maagdentocht (VONDEL 3, 600 [1639])
maagdenvat, bij VONDEL (VONDEL 4, 582 [1645]) in toepassing op het lichaam der H. Maagd
maagdenverdriet, voorkomende op uithangteekens van koperslagers (zie V. LENNEP en TER GOUW, Uithangt. 2, 313)
maagdenverleider (”Die Eerdieven, die Maeght Verleyers”, OGIER, Seven Hoofts. 27)
maagdevlies, zekere plooi in het slijmvlies van het schaamdeel bij ongerepte maagden (zie JACOBS, Vroedk. Oefensch. 50; V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 2, 351) (”Op 't eerste byslapen, wanneer het Maagden Vlies (Hymen) brekende” enz., PALFYN, Vrouw. Deel. 25)
maagdenwachter, voor Argus bij VONDEL (VONDEL 11, 330 [1671]) ter vertaling van custos Iunonius (Metam. 1, 678)
maagdewang (BILD. 1, 459 [1822]; V. LENNEP, Poët. 4, 127 [1847])
maagdewater (”Zoo je hier weêr komt, ik lapje een pot vol maaghdewater op je lijf” (eene vrijster tot een vrijer uit het venster), bij V. VLOTEN, Kluchtsp. 3, 20); maagdewol (”Wanneer den vorst het water stijft, … En sneeuw als maeghdewolle stort”, DE BUCK, Boët. 27)
maagdezeem, hetzelfde als maagdehonig (”Ga daar onder den blauwen steen, En haal daar een potje met maagdezeem, En strijk het aan de wonden van mij”, LOOTENS en FEYS, Chants pop. 64 [1879])
maagdeziekte, soms voorkomende voor bleekzucht (zie b.v. CHOMEL 1905 a [1771])
maagdezilver, voor fr. argent vierge (CHOMEL, Verv. 6685 b [1793])
maagdenzuiverheid (VONDEL 8, 615 [1660]; BILD. 3, 84 [1829])
maagdenzwee, in W.-Vl. eene benaming van de zwei, een winkelhaak met beweegbare armen, waarmede men hoeken van verschillende grootte kan maken (zie V. KEIRSBILCK, Mets. 394 en Timm. 524)
maagdenzwerm, bij de bijentelers een zwerm die zich afscheidt van een anderen in zekere bepaalde omstandigheden (zie DE BO [1873] en verg. Handw. 14, 90 [1797], waar zulk een zwerm maagdelijke zwerm genoemd wordt; verg. ook nog de samenst. nazwerm).
— Als tweede lid. Boschmaagd, bronmaagd, dienstmaagd, kamermaagd, keukenmaagd, stedemaagd (zie die woorden of het eerste lid).

Aanvulling bij MAAGD

Samenst. Maagdenbloed.
't Kuysche Maeghdenbloed, Vergoten van Barbarische soldaten (t.w. te Keulen),   VONDEL 3, 150 [1632].
Erbarm u ook nu op 't erbarmelyk gelaet Der lieve jufferschap: weêrhou de strenge slagen Der geessels …. Zoudt gy heur maegdenbloet vermengen met den wyn,   ZEEUS, Overgebl. Ged. 21 [1711].
Gij hebt ons aller schuldigheid, ootmoedig Lam, ter dood geleid, in Uw onschuldig maagdenbloed, aan 't kruis gedempt en uitgeboet,   GEZELLE (ed. BAUR) 4, 616 [1893].
Maagdepruim, ben. voor zekere geelbleeke, witachtige pruimensoort.
Katarijne pruim. Konfijte pruim. Maagde pruim,   Reg. v. Peer. en App. enz. 47 [1721].
Maagde-pruym. Poole-pruym. Supréme,   Kweeksch. Hoov. en Th. 125 b [1727].
Maagde-Pruim, Franse Abricoos-Pruim,   KNOOP, Vruchtb. 17 a [1758].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1904.