Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: WIEKE Volgend artikel: WIEKEN
Dialect: EWND

WIEKELEN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.)

Modern lemma: wiekelen

onz. zw. ww. Freq. van wieken. Vgl. wiekeren.
1.  Met de vleugels slaan, de vleugels op en neer bewegen; klapwieken.
Hy (vereerde) hem een schoonen witten Haan; de welke terstond gestelt op sijn bed, het hoofd om hoog hief, met sijn vleugels wakker wiekkelde, en met een helderen keel bestond te kraaijen,   GALLITALO, Rabelais 1, 555 [1682].
De ljiepen of kieviten wiekelen, als roepende, boven de mieden,   WINKLER, Oud Nederland 356 [1888].
2.  Van roofvogels: door een bep. beweging met de vleugels op één punt in de lucht ‘staan’ (zweven) om een prooi te zoeken; bidden. Alleen bij TER LAAN aangetroffen, maar wel algemeener.
Wiekeln, in de lucht zweven, om prooi te zoeken; "bidden",   TER LAAN [1952].
3.  (W.-Friesl.) Met de armen zwaaiend, d.w.z. gebrekkig, loopen.
Wukelen. (Uitspr. wukl.) Min of meer gebrekkig loopen,   DE VRIES, Westfri. Woorden [1909].
  KARSTEN [1934].
Afl. Wiekel, valk; blauwe wiekel, boomvalk, Falco subbuteo; roode wiekel torenvalk, Falco tinnuculus.
Wiichel, een soort van valk,   LESTURGEON in Dr. Volksalm. 1846, 269.
Wiekel, blauwe wiekel, boomvalk,   V. DALE [1914].
Wiekel, rode wiekel, de torenvalk; de blaauwe wiekel is de boomvalk,   TER LAAN [1952].
Wiekel, torenvalk,   HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1991.